HISTORIE
De gemeente Overbetuwe is 1 januari 2001 ontstaan door samenvoeging van de voormalige
gemeenten Elst, Heteren en Valburg. De noordgrens ligt midden in de Nederrijn, de
zuidgrens midden in de Waal; de oostgrens ten oosten van de A325 tussen Arnhem en
Nijmegen en de grillige westgrens ten westen van Randwijk, Hemmen, Zetten en Andelst.
Landschap

Het gebied lag van oorsprong tussen de tijdens de IJstijden (grofweg 150.000 jaren geleden)
gevormde stuwwallen van de Veluwe en de Utrechtse Heuvelrug en Nijmegen. Het
onbedijkte landschap behoorde tot de rivierdelta van de Rijn en sinds ongeveer het begin
van de jaartelling ook van de Waal in ontwikkeling. De wisselende loop van de Rijn en de
wisseling van wassend en vallend rivierwater waren bepalend voor de natuurlijke vorming
van het landschap van Overbetuwe. Kenmerkend was het patroon van oeverwallen,
stroomruggen en komgebieden. Natuurlijke oeverwallen ontstonden op de oevers van
rivieren en zijstroompjes door afzetting van vooral zand en grind wanneer de rivier buiten
haar oevers was getreden. Stroomruggen bestaan uit twee oeverwallen met de daartussen
iets lager gelegen dichtgeslibde oude rivierbedding. Komgronden zijn open, laaggelegen
natte gebieden tussen stroomruggen. Daar zijn in bijna stilstaand water fijne kleideeltjes
afgezet. Deze natuurlijke situatie is sindsdien van doorslaggevende betekenis
voor het bodemgebruik. De relatief hoog gelegen oeverwallen en stroomruggen zijn
geschikt voor bewoning en landbouw, de komgronden niet.
Bij het begin van de jaartelling bestond het gebied van Overbetuwe uit vier
stroomruggen van oude Rijnarmen. Drie ervan kwamen bijeen bij Elst. Daar splitste
de Rijn of Aamse stroomgordel zich in een arm naar Driel en een arm naar Valburg. Te
onderscheiden zijn nog steeds de van zuidoost naar noordwest lopende ruggen
Pannerden-Gendt-Haalderen-Elst-Driel, Valburg-Homoet-Heteren en Herveld (Zuid)-Andelst-
Zetten-Randwijk. Deze drie waren in het zuiden met elkaar verbonden door een rug die
parallel aan de Waal liep van Elst naar Andelst. De stroomrug tussen Haalderen en Driel is
een restant van een belangrijke stroom die tot in de Romeinse tijd nog bevaarbaar was.
Deze Ressense stroomgordel of Aam maakte ten oosten van Elst een bocht naar het
noorden om als stroomgordel Santacker-Driel in noordwestelijke richting verder te stromen.
Archeologen hebben deze stroomgordel genoemd naar boerderij De Santackers bij de Linge.
Het water liep ten oosten van de huidige Grote Molenstraat en stroomde bij Driel naar het
westen. Te onderscheiden zijn ook nog steeds de drie grote komgebieden die de
stroomruggen van elkaar scheiden. Ze liggen tussen de ruggen Elst-Driel en Huissen-Elden,
de ruggen Elst-Driel en Valburg-Homoet-Heteren en de ruggen Valburg-Homoet-Heteren en
Andelst-Zetten-Randwijk.
Bewoningsgeschiedenis

De bewoningsgeschiedenis van Overbetuwe begint in de prehistorie. Op grond van
bodemvondsten is aangenomen dat bewoonbare delen van het rivierengebied bewoond zijn
sinds de jonge steentijd (ca. 5000 tot 2000 v. Chr.). De bewoners waren van Germaanse
herkomst en hun bewoningsmogelijkheden waren bepaald door activiteiten van de rivieren
en de aanwezigheid van hooggelegen gronden. Omstreeks 50 voor Christus onderwierpen
Germaanse indringers de bewoners in de Rijndelta. Deze Bataven hadden zich in Hessen na
een conflict afgesplitst van de Chatten. De Bataven vestigden zich op de stroomruggen met
een bewoningsconcentratie rondom Elst. Een aantal van deze circa dertig bewoningscentra
De Linge ontwikkelde zich in later tijd tot de kern van rondom Elst gesitueerde buurschappen: Raaien,
Hollanderbroek, Lienden, Eimeren, Reeth, Merm, Bredelaar, Aam, Rijkerswoerd en De Laar.
De centrale hoogte in Elst was het sacrale centrum van de Bataven. Het openluchtheiligdom
op deze plaats lag in het centrum van het Bataafse gebied op een kruispunt van wegen.
Vondsten van dierbeenderen duiden aan dat deze cultusplaats ook een offerplaats was. Al
gauw kregen de Bataven te maken met de Romeinen die rond 15 v. Chr. de Rijndelta
inlijfden bij het Romeinse Rijk. Bataven en Romeinen sloten een bondgenootschap op basis
van het do ut des principe (Latijn: ik geef opdat jij geeft). De Bataven stelden krijgshaftige
hulptroepen beschikbaar voor de Romeinse legioenen in ruil voor vrijstelling van belasting en
posities in bestuur en leger. Ze leverden ook uitstekende ruitereenheden en lijfwachten van
Romeinse keizers en zorgden voor grensbewaking. In 47 bepaalde keizer Claudius dat de
Rijn zoals die destijds langs Utrecht en Katwijk naar zee stroomde de noordelijke rijksgrens
(Limes) zou zijn. Het insula Batavorum, het eiland van de Bataven, was tot omstreeks 450 na
Chr. frontgebied. Romeinse soldaten bouwden castella (legerkampen) op regelmatige
afstand langs de grens, onder andere in Meinerswijk, Driel en Randwijk. Ze legden ook voor
het leger bestemde (heir)wegen aan, onder meer van Nijmegen via Ressen, Merm, Aam en
Elst naar Driel. Daar splitste de weg zich in oostelijke richting naar het castellum Castra
Herculis in Meinerswijk en in westelijke richting naar Randwijk en verder. Bij deze
strategische splitsing ten oosten van Driel lag bij de stroomgordel Santacker-Driel ten
noorden van de Vogelenzangsestraat een van de grootste Bataafse nederzettingen.
Bovendien bouwden de Romeinen voor de Bataven een stenen heiligdom, een Gallo-
Romeinse tempel, op de oude cultusplaats. Dit centraal en nationaal heiligdom van de
Bataven is een van de oudste stenen gebouwen van ons land. Het benodigde materiaal is
waarschijnlijk aangevoerd door de Ressense stroomgordel tot Aam en vervolgens door
kleinere kreken en geulen tot vlakbij de plaats van bestemming. Het bouwwerk is
waarschijnlijk verwoest tijdens de Bataafse opstand in de jaren 69/70. Omstreeks 100 na
Chr. bouwden de Romeinen op dezelfde plaats een tweede Gallo-Romeinse tempel, gewijd aan de
godheid Hercules Magusanus. Deze tempel behoort tot de grootste Gallo-Romeinse tempels (ca. 23 x 32 m.)
ten noorden van de Alpen en is van internationale betekenis. De tempel is wellicht in de 3de eeuw buiten
gebruik geraakt. Tijdens archeologisch onderzoek binnen de muren van het kerkgebouw zijn in 1947
fundamenten van deze tempels bloot gelegd en voor bezichtiging geschikt gemaakt. Ook omstreeks 100 na
Chr. bouwden Romeinse soldaten van het Tiende Legioen ten noordoosten van de grote tempel een kleine
Gallo-Romeinse omgangstempel. In juni 2002 zijn in de huidige woonwijk Westeraam bij de straat Noorderlicht restanten van
deze tempel aangetroffen. Ook van vermoedelijk drie houten voorgangers uit de 1ste eeuw.
De derde houten tempel uit omstreeks 70 met een ruim terrein omgeven door een palissade
is rond het jaar 100 afgebrand. De op het westen georiënteerde stenen tempel hoorde
waarschijnlijk bij een Romeinse controlepost, herberg of paardenwisselstation. Omstreeks
450 trokken de Romeinen en Bataven zich uit deze streken terug; vrijwel midden in de
betrekkelijk natte periode van circa 200 tot circa 750.
Kerstening

Frankische gezaghebbers namen de macht over. De Franken gingen na de doop van koning
Clovis in 500 over tot het christendom. Het rivierengebied was in de 7de eeuw inzet van een
strijd tussen Franken en Friezen en dus weer frontgebied. In 688 versloeg de Karolinger
Pepijn II de Friese koning Redbad of Radboud bij Dorestad. Hij hielp missionarissen, ook om
het rijksgezag te verstevigen. Zo steunde hij de Engelse missionaris Willibrord die in 690 met
elf metgezellen naar ons land was overgestoken. Willibrord kreeg het pas op de Friezen
veroverde gebied als missieterrein aangewezen. De paus wijdde hem in 695 tot
aartsbisschop onder de Friezen en Pepijn bestemde Utrecht als zetel van het aartsbisdom.
Na de dood van Pepijn in 714 en van Redbad in 719 drong Pepijns zoon Karel Martel diep
door in Fries gebied. Het rivierengebied kwam bij het Frankische rijk als de gouw Batua.
Grote delen van het veroverde gebied schonk Karel aan de kerk van Utrecht. Zo ook het
landgoed Eliste of Marithaime van een zekere Everard die gemene zaak had gemaakt met
de Friezen. Karel Martel tekende 9 juni 726 in Zülpich een oorkonde waarbij hij het landgoed
Eliste aan de kerk van Willibrord schonk. Dit landgoed had de nederzettingsvorm van een
buurschap: een aantal boerderijen, huisjes en schuurtjes met bijbehorende landerijen,
bossen en waterlopen. Deze oorkonde is de oudste geschreven bron in de geschiedenis van
Elst. Willibrord droeg een van zijn metgezellen, de Ierse monnik Werenfried, op vanuit Elst
de omgeving te kerstenen. Werenfried bouwde op de plaats waar ooit achtereenvolgens
twee Gallo-Romeinse tempels hadden gestaan een pre-romaanse zaalkerk van 22
bij 12 meter. Hij maakte Elst tot centrum van het christendom in de gouw Batua. Ook het
bestuur van de kerk te Westervoort nam hij op zich. Na zijn overlijden in 760 is hij begraven
in de kerk in Elst. Bijna acht eeuwen was zijn graf bedevaartsoord voor reuma en
jichtpatiënten die genezing van hun ziekte zochten door verering van de latere heilige
Werenfried. Na de dood van koning Lodewijk de Vrome in 840 regelde het Verdrag van
Verdun de verdeling van het Frankische rijk onder zijn drie zonen. Deze interne
verdeeldheid en rijksverdeling leidden tot een ernstige verzwakking van het rijksgezag. Daardoor had van 850 tot 885 ook het
rivierengebied veel te lijden van de strooptochten van Deense Vikingen. In de 10de eeuw kon
bisschop Balderik de kerken in Utrecht herstellen en zijn bisdom reorganiseren. Hij liet in Elst
het schip van de kerk van Werenfried aan twee zijden verlengen en aan de oostzijde een
crypt bouwen. Dat diende voor de verering van het door hem ‘verheven’ gebeente van Werenfried, dat
destijds heiligverklaring betekende. Ook fundamenten van de pre-romaanse en de nadien uitgebreide romaanse kerk zijn onder de
fundamenten van de huidige kerk uit de 15de eeuw te bezichtigen.
De kerstening van de gouw Batua en organisatie van het bisdom in Elst waren aan het einde
van de 12de eeuw voltooid. Oude bewoningskernen hadden zich in de droge tijd van circa
750 tot circa 1200 ontwikkeld tot buurschappen. Een groot aantal daarvan was het kerspel
(kerkdorp) van een kerkelijke gemeente onder het centrale kerspel Elst. Kerspels op enige
afstand van Elst wisten geleidelijk zelfstandigheid te krijgen en een eigen kapel, zelfs een
eigen kerk te bouwen. Zoals Andelst en Valburg in de 11de en Oosterhout in de 12e eeuw.
Uit de nevelen van de geschiedenis doemen vooral in schenkingsakten en goederenlijsten
de oudste vermeldingen op van huidige Overbetuwse dorpen: 673 Wulfaram (Wolferen); 793
Falburc marca (Valburg); 855 Euuci Silec (Eeuwig Slijk of Slijk-Ewijk); 885 Andassale
(Andelst); 996 Thrile, later Dreyle (Driel); 1003 Reinwigh (Rijnwijk, Randwijk); 1005 Sethone
(Zetten), 11de eeuw Lona (Loenen); eind 11de eeuw Ostreholt (Oosterhout); 1188 Hemmen
en 1232 Insula de Hetere (Heteren).
Buurschappen wierpen wallen op voor waterkering, groeven pijpen en zegen voor
ontwatering en regelden vormen van bestuur en rechtspraak, de zogenaamde
buurschapsgerichten. Buurschappen bouwden in de 13e tot het begin van de 14e eeuw in de
‘landstreek Batue’ dijken en groeven in 1244 een centraal afwateringskanaal; waarschijnlijk
onder gezag van de graaf van Gelre, de grootste grondbezitter daar sinds de 13e eeuw. Dat
kanaal bestond uit twee door een smalle aarden (Weteringse) wal gescheiden weteringen:
de smalle noordelijke Rijnwetering en de brede zuidelijke Waalwetering. Het Lingekanaal
Kunstwerk Werenfried, Linge Elst kreeg zijn huidige vorm in 1952 bij een grootschalige verbetering
van de waterafvoer door het afsnijden van bochten; uitdiepen van het waterbed, en opruimen van de dam.
Bestuurlijke indeling

In 1327 maakte graaf Reinoud II een einde aan de Batuwe of Betuwe als één
bestuursonderdeel. Hij verdeelde het gebied in drieën: Over-Betuwe, Neder-Betuwe en
Tielerwaard. In zijn landbrief van 11 december 1327 presenteerde hij het ambt van de Over-
Betuwe: een nieuwe bestuurlijke indeling met gecentraliseerde bevoegdheden voor
rechtspraak en waterstaatszaken. De ambtman was ook richter en dijkgraaf. Rechtbanken in
Andelst en Bemmel – later in het Ambtshuis in Elst – vervingen de buurschapsgerichten.
Onder de ambtman functioneerden schouten (richters). De Over-Betuwe bestond uit vijf
schoutambten: Heteren, Valburg, Elst, Bemmel en Herwen en Aerdt (tot 1818). Onder het
schoutambt Valburg vielen de kerkdorpen Andelst, Herveld, Zetten, Slijk-Ewijk en
Oosterhout. Het schoutambt Heteren omvatte de kerkdorpen Driel en Randwijk en de
buurschap Lakemond. Het schoutambt Elst bestond uit de kerkdorpen Elden en Lent, de
heerlijkheid Meinerswijk en de negen buurschappen. Dit schoutambt reikte dus van Rijn tot
Waal. Enclaves in het rechtsgebied van de ambtman waren de hoge heerlijkheden Loenen
en Wolferen, Hemmen, Homoet en Indoornik. Deze zelfstandige rechtsgebieden van een
kleine landsheer hadden eigen bestuur en rechtspraak. Loenen en Wolferen en Indoornik
waren lenen van de graaf van Kleve. Homoet was van 1347 tot 1486 een leen van de Heren
van Homoet, daarna van de graaf van ’s-Heerenberg. Hemmen behoorde al in 1390 aan de
adellijke familie Van Lynden. Weldra kreeg de ambtman te maken met een toenemende
invloed van de Over-Betuwse landadel en later ook van de burgerij in Arnhem en Nijmegen.
Als ambtman kreeg hij leden van de Over-Betuwse ridderschap aan zijn zijde en als dijkgraaf
vijf heemraden. Als ambtman vormde hij met de ambtsjonkers, leden van de Over-Betuwse
ridderschap, en vertegenwoordigers uit Arnhem en Nijmegen, het Ambtsbestuur. Als
dijkgraaf vormde hij met de heemraden, drie Ambtsjonkers en twee stedengezanten – één uit
Arnhem en één uit Nijmegen – de Dijkstoel; het dagelijks bestuur van de waterstaatkundige
organisatie. De ridderschap drong in de loop van de zestiende eeuw ook door in de
rechtspraak. Leden van de ridderschap vormden het gericht en de richter was meer officier
van justitie en uitvoerder van het vonnis.
Deze indeling heeft zich op hoofdlijnen al bijna zeven eeuwen kunnen handhaven. Tijdens
de Bataafs-Franse tijd (1795 tot 1813) introduceerde de Staatsregeling van 1798
departementen en lokale besturen. De inlijving bij het Keizerrijk van Napoleon van 1811 tot
1813 bracht de Franse bestuursindeling met departementen, arrondissementen, kantons en
mairieën. Een mairie of gemeente stond onder leiding van een maire of burgemeester en viel
in de Over-Betuwe samen met een schoutambt. De mairieën Heteren en Herveld behoorden
tot het kanton Elst, het arrondissement Tiel en het departement Boven-IJssel. De nieuwe
gemeenten namen in 1811 bestuurlijke taken over van het Ambt Over-Betuwe. De criminele
rechtspraak was al in 1802 overgegaan naar het gerechtshof in Arnhem. In 1811 ging de
civiele rechtspraak over naar het kantongerecht en de arrondissementsrechtbank. Koning
Willem I stelde bij Koninklijk Besluit van 11 februari 1817 het Reglement voor
het platteland van Gelderland vast. Dat trad 1 januari 1818 in werking. De
Kleefs-Pruissische enclave Huissen kwam in 1816 bij Nederland. Herwen en
Aerdt ging in 1818 naar het kanton Zevenaar. De in 1798 ingestelde Ambtsgemeente Over-Betuwe
was vervangen door het hoofdschoutambt; de hoofdschout die vooral dijkgraaf was en de maire door de schout
of burgemeester. Het hoofdschoutambt Over-Betuwe bleef verdeeld in zes schoutambten: Elst, Heteren, Valburg,
Bemmel, Gendt en Huissen. Het schoutambt Elst bestond uit de dorpen Elst, Elden en Lent
en de buurschappen. Het schoutambt Heteren omvatte de dorpen Heteren, Driel, en
Randwijk, de buurschap Lakemond en de heerlijkheid Indoornik. Tot Valburg behoorden de
dorpen Valburg, Andelst, Herveld, Oosterhout, Slijk-Ewijk en Zetten. Er waren nog twee hoge
heerlijkheden: Loenen en Wolferen en Hemmen. In 1825 bleven alleen de waterstaatszaken over van de Dijkstoel van dijkgraaf en
heemraden, in 1926 aangevuld met het College van Hoofdingelanden; later met het
Gecombineerd College. Bij het rivierpolderreglement van 1838 kreeg het Ambt Over-Betuwe
de naam Polderdistrict Over-Betuwe. De grondwet van 1848 introduceerde opnieuw
gemeenten en gemeentebesturen en eiste voor gemeenten een wettelijke regeling. Deze gemeentewet kwam in 1851 naar een ontwerp van
mr. J.R. Thorbecke. De gemeente Loenen en Wolferen ging in 1854 over naar de gemeente
Valburg en de gemeente Hemmen in 1955. Van eind september 1944 tot begin april 1945 was de Over-Betuwe voor de derde maal
frontgebied. Het groots opgezette geallieerde offensief Market Garden, een gecombineerde
operatie van luchtlandingstroepen en grondstrijdkrachten, was in de Over-Betuwe
vastgelopen. Elst en Bemmel moesten 25 september 1944 bevrijd zijn om de uit Oosterbeek
geëvacueerde militairen een veilige terugtocht te kunnen bieden. Na de Duitse tegenaanval
in de eerste week van oktober verstarde het front grofweg langs de lijn Opheusden-Driel-
Elst-Bemmel. Burgers moesten evacueren naar een veilige plaats; vanuit Duits gebied naar
een plek ten noorden van de Rijn en vanuit geallieerd gebied naar een plek ten zuiden van
de Waal.
In de tweede helft van de 20ste eeuw vonden enkele gemeentelijke herindelingen en
grenscorrecties plaats. Vooral de gemeente Elst moest veel gebied afstaan. Arnhem
annexeerde 1 maart 1966 het kerkdorp Elden en 1 januari 1974 het gebied ten zuiden van
Elden tot Laarstraat en Rijkerswoerdsestraat. Deze straten en het verlengde daarvan vormen
sindsdien de zuidelijke bebouwingsgrens van Arnhem. De gemeenten Elst en Heteren
stonden per 1 januari 1995 gebied af voor de Spoorsprong of de Arnhemse wijk Schuytgraaf.
De gemeenten Elst en Valburg droegen 1 januari 1998 het kerkdorp Lent en een deel van
Oosterhout over aan Nijmegen voor de Waalsprong. De gemeente Overbetuwe ontstond 1 januari 2001
door samenvoeging van de voormalige gemeenten Elst, Heteren en Valburg. Bemmel, Huissen en Gendt vormden samen de
gemeente Lingewaard. Sindsdien bestaat de geografische eenheid Over-Betuwe uit twee
gemeenten: Overbetuwe in het westelijke deel van de Over-Betuwe en Lingewaard in het
oostelijke deel. In het midden behoort het noordelijke deel van de Over-Betuwe bij Arnhem
en het zuidelijke deel bij Nijmegen. Ruim twintig eeuwen bewoningsgeschiedenis hebben in Overbetuwe rijke sporen nagelaten
in de bodem en het landschap. Haar cultuurhistorisch erfgoed bestaat uit historisch
landschap, historische bouwkunde (monumenten) en archeologie (het rijke bodemarchief).